VAN DIRECTEUR NAAR APENBOER

Peter Cornelis van DUN wordt in 1860 geboren te Goirle, hij overlijdt daar op 30-jarige leeftijd in 1891. Samen met zijn echtgenote Anna Maria de Rooy hadden zij 5 kinderen 1 jongen en 4 meisjes. Anna Maria de oudste dochter. Gerardus Hubertus waar we later op terug komen. Petronella trouwt met Peter WAGTMANS (schoolmeester den blauwen Peer). Peter is nog een tijdje frater geweest bij de Fraters van Tilburg, maar is in 1905 uitgetreden. Anna is getrouwd met Adrianus de JONG, broodbakker. De jongste Cornelia huwt met een metselaar uit Wijk bij Duurstede.

Terugkomende op Gerardus zien we dat hij geboren in 1885 de respectabele leeftijd van 73 jaren mag bereiken en samen met zijn vrouw Johanna de VRIES, 5 kinderen heeft, 3 meisjes en 2 jongens. De oudste zoon Peter gaat naar de “West” huwt daar en krijgt 2 dochters. De meisjes huwen hun echtgenoot en leven zonder opvallende gebeurtenissen.

Blijft over Josephus Cornelis geboren in 1923 te Goirle en in de volksmond gewoon Sjef genoemd. Dit verhaal draait dus hoofdzakelijk om vader Gerard en zoon Sjef. In 1904 besluit textielfabrikant Van PUIJENBROEK dat er zomers nog maar voor 3 dagen betaald werk is. Het gevolg is een staking. In 1908 is het weer raak, de PUIJ wil alle thuiswerkers ontslaan, omdat deze te duur zijn. Echter alle wevers verklaren zich solidair met hun thuis sappelde collega’s, maar Van PUIJENBROEK houdt zijn poot stijf en ontslaat zonder pardon alle wevers en gooit de poort dicht.

Andere Textielfabrikanten in Goirle weigeren de ontslagenen in dienst te nemen. Met een uitzondering: Jan van BESOUW, een bedrijf dat toen al een voorloper van de CAO had. Er is in dit bedrijf nooit gestaakt. Van BESOUW neemt verschillende ontslagenen in dienst, maar de meesten zochten elders hun heil.

Gerard van DUN is een van hen. “Gròrdje” dun wordt hij in de volksmond genoemd, is een echte Goirlenaar. Zijn stamboom gaat terug tot 1400 en hij behoort tot de Grootste tak van de Van DUN’s. Hij heeft de weefschool in Tilburg gevolgd en had zelfs nog privé lessen bij directeur HANDELS. Hij is inmiddels 30 jaar en begint een eigen bedrijfje even buiten de grens van Goirle, aan de oude Goirlese weg.

Het nieuwsblad van het Zuiden meldt in 1918 dat ene G. van DUN samen met een compagnon, in 1915 “een elektrisch gedreven loon-wollenstoffenweverij “ begint. Een derde firmant, leerlooier BAETEN uit Alphen, steekt ook geld in de E.G.W., de Eerste Goirlesche Wollenstoffenfabriek. Gròrd huurt een oud “febriekske”, de jutespinnerij van Jan RENS, de latere burgemeester, die er als aandeelhouder ook geld insteekt. Gròrdje was een harde werker en ’n pronte mens herinneren oudere Goirlenaren zich. Een doorzetter, die een levensvatbaar eigen “zòkske” weet op te zetten.

Na de oorlog is de E.W.G. ook lussenweefsel, badstof, gaan maken. Maar het boter niet tussen de firmanten en Gròrd besluit met zoon Sjef opnieuw te beginnen tussen de Nieuwkerksedijk en de Zandschelstraat. Het gebouwtje dat hij laat zetten heeft later nog lange tijd de Technische Dienst van de TSO gehuisvest. Het bedrijfje floreert en1, kenmerkend voor Gera rd, hij betaald tot de laatste cent alle schulden af van zijn vorige bedrijf. Sjef is een intelligente, zachtaardige man.

Op het Odulphus-lyceum zorgt hij vaak voor hilariteit als hij weer eens een salamander, kikker of muis mee de klas inbrengt. Maar hij is ook een begaafd technicus. Na de dood van zijn vader in 1959 komt de verantwoordelijkheid voor het bedrijf met bijna twintig personeelsleden op zijn schouders te rusten. Dat valt niet mee voor deze zachtaardige en anti-autoritaire natuurliefhebber, navolgend voorval is tekenend voor hem.

Op een dag, hartje zomer, het is warm weer. Sjef besluit met heel zijn voornamelijk vrouwelijk personeel te gaan zwemmen in het zwembad tegenover de fabriek. De fabriek gaat op slot. Briefje op de deur: “we zijn even zwemmen”.
De familie ziet aankomen dat Sjef zakelijk onvermijdelijk op de ondergang aankoerst. Ze besluiten in 1963 om het bedrijf te verkopen. Sjef is in zijn element op de boerderij die hij met zijn erfdeel in Vessem koopt. Weldra heeft hij veertien apen om zich heen. “Aope waaren in dieje tèèd un raazje” vertelt hij in een interview. Iederêen moes unnen aop hèbbe. Dè is èfkes schôon en dan wille ze der vanaaf. Dan kwaame ze hier òf ik em nie wou ooverneemen.” Dat bezorgt hem de bijnaam “den aopeboer van Vessem” Van trouwen of een gezin stichten is het nooit gekomen ondanks dat hij graag een gezin met kinderen had gehad.

Jaarlijks met Pasen mogen zijn neefjes en nichtjes en de kinderen uit de buurt bij hem paaseieren zoeken. Hij verkoopt de boerderij en koopt een stuk grond waar hij tijdelijk in enkele tenten en een omgebouwde bus woont en daarna in een caravan. Hij belandt uiteindelijk in een houten huisje zonder voorzieningen, dat de gemeente hem na enkele strenge winters aanbiedt. In dat huisje wordt hij in 1996 met een dubbele longontsteking meer dood dan levend aangetroffen. Na het ziekenhuis krijgt hij zeer tegen zin een plaatsje in het verzorgingstehuis Groenedaal in Vessem. De idealist, de vrijbuiter, de natuurmens sterft in 2002 op 79–jarige leeftijd.

Met dank aan Herman van Rouwendaal, Tom Tacken en Peter van den Oetelaar.

KVD