HET NIEUWE CASINO TE BREDA

Op de plaats waar nu sinds enkele weken het nieuwe casino gevestigd is, stond vroeger het klooster Sint-Catharinadal van de zusters Norbertinessen. Tijdens de tachtigjarige oorlog maakte dit klooster moeilijke tijden door. Spaanse furie, pest en de wisselende oorlogskansen waren beurtelings harde slagen voor het uitstervend convent (kloosterbewoners). De regering had verboden nog nieuwe zusters toe te laten. De goederen werden reeds beheerd door de rentmeester van de Prins en zouden t.z.t. in diens handen overgaan.

Het 12-jarig Bestand (1609-1621) bracht ook geen verbetering. 27 augustus 1624 had Spinola het beleg opgeslagen voor Breda. De contacten tussen St. Catharinadal en de Norbertijner Orde waren verbroken. Over de werkelijke toestand kon men zich onvoldoende informeren. Feit was echter wel dat de Jezuďten reeds toezegging hadden om St. Catharinadal te mogen betrekken als de laatste zuster gestorven was. Prelaat Drusius (kerkvoogd) van de Park abdij in Leuven, vicaris-generaal van de Norbertijnen  stelde alles in het werk om de greep op St. Catharinadal niet te verliezen. Hij vroeg de prelaat van Tongerlo, Adriaen Stalpaerts, om een van zijn kloosterlingen aanwezig te laten zijn in Breda als Spinola er zou binnentrekken. Zo kon het klooster misschien nog gered worden voor de orde. De cellier (ziekenbroeder) van de abdij van Tongerlo, Petrus van Dunne, werd hiervoor benoemd. Dit was geen benoeming tot Proost (voorzitter van een klooster) omdat nog niet duidelijk was wat er met het klooster zou gebeuren. Sommigen meenden het te kunnen omzetten in een mannenabdij. van Dunne moest de toestand gaan opnemen en verslag uitbrengen.

Op 2 juni 1625 opende Breda zijn poorten voor Spinola en van Dunne volgde het Spaanse leger op de voet. Hij werd met open armen ontvangen door priorin  Johanna van der Stegen (overste van een vrouwenklooster), de enig overgeblevene. Wel waren er nog twee hulpzusters, maar die behoorden niet tot het eigen convent. Zij kwamen uit Antwerpen en gaven onderwijs aan de school.
van
Dunne trof een hopeloze toestand aan, verwaarloosde gebouwen, gesloten kerk, geschonden slot, en ontreddering overal, ook op financiëel gebied. Hij schreef hierover naar zijn prelaat en wachtte op Drusius voor verder overleg. De oude priorin bleek voor geen enkele regeling ontvankelijk en wenste aan geen enkele verandering mee te werken.

In Breda stond men al spoedig zeer sympathiek tegenover van Dunne. De magistraat drong erop aan, dat hij tot proost benoemd moest worden. De geneesheer van der Mey zette de nodige stappen ter bemiddeling bij de prelaten. Toen Drusius niet kwam opdagen ging van Dunne hem zelf in Brussel opzoeken.  Zijn voorstel was om enkele goedgevormde Norbertinessen uit een ander klooster naar Breda te halen. Dit voorstel is later uitgevoerd. van Dunne mocht dit niet meer meemaken. Verschillende ongunstige omstandigheden dwarsboomden zijn pogingen en op 27 juli 1625 werd hij naar Tongerlo teruggeroepen door Stalpaerts. Breda werd toen echter juist door de pest getroffen en ook van Dunne werd aangetast, en bleef maanden aan bed gekluisterd. Pas op 24 september 1625 schreef geneesheer van der Mey, dat van Dunne begon te genezen, en binnenkort naar Tongerlo kon terugkeren. Zijn opvolger was Leonard Lemmens die reeds op 9 november 1625 aan de pest kwam te overlijden.
Van der Mey schrijft dan aan Tongerlo om van Dunne terug te halen, maar deze was inmiddels tot pastoor benoemd te Tongerlo. Op 22 december werd van Dunne vervolgens pastoor te Moergestel en op 10 juni tenslotte tot pastoor te Retie.


Wie was nu deze Petrus van Dunne?. Petrus is te Breda geboren op 4 januari 1590. Hij was de zoon van Henrick van Dunne
en Adriana Frayen. Dit echtpaar had 8 kinderen en vader Henrick had zich te Breda als brouwer gevestigd. Hij was te Turnhout geboren als zoon van Jan van Dunne en Aleth Lemmens. In Breda vormde deze van Dunne’s een belangrijk deel van de gegoede burgerij, die bestond uit enkele aan elkaar verwante  families. Onze tak “van Dunné” (grotendeels woonachtig omgeving Zuid-Holland) is hieruit afkomstig.

Petrus van Dunne is geprofest in de abdij van Tongerlo op 28 augustus 1611. Na zijn priesterschap werd hij achtereenvolgens circator en ziekenmeester in de abdij. Hierna werd hij cellier. In 1623 volgde zijn benoeming tot kapelaan in Alphen. In 1663 ging hij in emeritaat (pensioen van een geestelijke) en terug naar Tongerlo. In de abdij overleed hij op 23 april 1664.

Geneesheer
van der Mey was aangetrouwde familie. Over de familie van Dunne in Breda en hun aangetrouwde relaties is onlangs een artikel verschenen van Ton Kappelhof in De Oranjeboom, jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Breda. Zie deel LV jaargang 2002 blz. 142-180.

Ton van Dun te Ulvenhout