BRAZILIË
Bericht van Paul van Dun uit het verre en toch nabije Brazilië.
Vanaf begin 2007 ben ik van baan veranderd, en houd me nu fulltime bezig met een uitwisseling van ervaringen tussen ontwikkelingsprojecten in Afrika en Azië en het “vertalen”daarvan naar de Braziliaanse mogelijkheden.
Met de hoofdorganisatie Humana, heb ik de zuster organisatie HUMAN POVO PARA POVO BRASIL opgericht.Brazilië dat in potentie een erg rijk land is, aan bodemschatten en natuurlijke omstandigheden, maakt een grote ontwikkeling door.
Het is echter ook een land met enorme tegenstellingen, die u wellicht kent van het nieuws. Enerzijds, zijn er de krottenwijken rond de grote steden, met hun door armoede gevoede gewelddadigheden, drugsgebruik e.d. De droogteperioden die in het noordoosten het land en de bevolking teisteren. Grootgrondbezitters die zich steeds meer land toe-eigenen en niet te vergeten de corrupte politiek. Anderzijds is het ook het land van grootschalige bio-energie, auto-en vliegtuig productie en export. Wat allemaal geregeld wordt door vlijtige mensen welke voor hun kinderen en henzelf een beter bestaan trachten op te bouwen.
Van die mogelijkheden zijn grote gebieden in Brazilië afgesloten. Dit is gebeurd door de ligging en het klimaat zoals bijv het noordoosten. Als daar niets wordt ondernomen raakt deze omgeving steeds verder achterop. In deze regio wil Humana gebruik maken van hun jarenlange ervaring vanuit de  projecten uit Afrika en Azië. Dit door kennisoverdracht binnen onze organisatie, de toepasbaarheid en of een idee toepasbaar te maken is voor de betreffende streek en haar bevolking. Humana Brasil zet haar eerste project op in het platteland van de staat (provincie) Bahia, het grootste en de armste deel in het noordoosten, bij een gemeenschap van ca 32.000 inwoners genaamd Cansançao
Op de Human Development Index staat Brazilië op de 69 plaats, Cansançao op de 135e gedeelde plaats samen met Ghana en Pakistan.
Wat is de realiteit in Cansançäo:

Bron van inkomsten:
65% van de bevolking leeft en werkt op het platteland, waar de families wonen in dorpjes (gemeenschappen) van 50 tot 200 huizen. Vele gezinnen moeten leven van de opbrengsten van een paar hectaren grond en wat overheidssteun. De grond wordt zonder mest en bestrijdingsmiddelen gebruikt. Over het algemeen is de cassavewortel het hoofdgewas, het tweede gewas zijn bonen. De cassave is het hoofdbestanddeel van het basis menu. Het wordt deels geteeld voor eigen gebruik en deels voor de verkoop.
Bonen vormen het tweede belangrijke deel van het menu, zij worden na de oogst gedroogd en bewaard. Zodat zij ook buiten de oogsttijd als voedsel kunnen worden gebruikt. Soms is er wat aanvulling van wat kippetjes, eieren, een varkentje wat gevoerd wordt met wat afval en heel soms nog een mager koetje dat voer opscharrelt langs de wegbermen.
Veel gezinnen moeten leven van een jaarinkomen minder dan 1.000 euro per jaar.
Voor dit soort gezinsomstandigheden heeft de regering een steunprogramma, dat maximaal 35,00 euro per maand voor wat dringende te kopen aanvullende levensmiddelen. Aan deze steun worden wel voorwaarden gekoppeld, zoals kinderen moeten ingeënt worden en naar school gaan.
Onderwijs:
De kinderen gaan naar de basisschool. Als er in het dorpje geen schooltje is, zorgt de plaatselijke overheid voor transport.
Gezondheidszorg:
De overheid zorgt, dat een gezondheidsagent minstens een keer per maand de families komt bezoeken. Haar taak is er voor te zorgen dat de vrouwen die in verwachting zijn hun prenatale programma volgen, de pasgeboren de baby’s wegen, er voor zorgen dat de ouders de kinderen laten inenten, controleren dat de bejaarden hun medicijnen goed innemen en dat verder alles goed gaat. Dat systeem werkt in grote trekken en heeft er aan meegeholpen dat de sterfte onder baby’s is gedaald en de levensverwachting van de bevolking is gestegen tot 72 jaar.
Economisch:
De streek is er economisch op achteruit gegaan de laatste 15 jaar. De wereldmarktprijzen voor sisal werden minder en de productiviteit kon door de beperkte mogelijkheden niet worden verbeterd, waardoor de teelt oneconomisch werd. De kosten van levensonderhoud blijven stijgen terwijl de inkomsten van de landbouwproducten achter blijven.
Ambities:
De ambities van de mensen zijn veelal laag. De onmogelijkheid betere levensomstandigheden te creëren tengevolge van het harde klimaat, met periodieke grote droogte waardoor nieuw verworven rijkdommen weer worden weggevaagd, het politieke klimaat dat eigenbelang prevaleert boven de armoede bestrijding.
Wat willen we doen met ons project?


De hoofdproblemen aanpakken:
- opbouwen en uitbouwen van inkomsten bronnen
- onderwijscapaciteiten opvoeren en uitbouwen.
- samenwerkingsstructuren opbouwen.
Hoe willen we het doen?
De projectleiders bouwen een net op van vrijwilligers en geïnteresseerden van de dorpjes, de zogenaamde "peer educators", zodat ieder gehucht een actieve groep heeft van vooral jonge mensen die getraind worden en taken op zich nemen. Wij werken ook met de Ontwikkelings Instructeur (Development Instructor). Veelal mensen met een betere ontwikkeling, die hun steentje willen bijdragen aan de bestrijding van armoede. Zij volgen een 6 maanden durende voorbereidende cursus en werken 6 maanden mee aan het project.
paul
Voorbeelden:
1)  Bijenteelt en verkoop van honing. Ondanks streken welke van nature uitermate geschikt zijn voor bijenhouderij telt de streek maar enkele imkers. Honing productie kan kleinschalig beginnen, met 5 bijenkasten en verder groeien. Meerderen producenten kunnen samen werken bijvoorbeeld voor de gezamenlijke verkoop van honing,
2)  Het vereiste opstartkapitaal is klein en de techniek is bekend en niet ingewikkeld
De vrijwilligers mobiliseren de kleine boeren en stellen een groep samen met de geïnteresseerden. Samen met de boeren wordt na onderzoek een gefaseerd arbeidsplan gemaakt met criteria welke zijn de productiecijfers, met welke verdiensten bij hoeveel, hoeveel werk activiteit, en waar vinden we de antwoorden? Daarna kan de trainingsfase beginnen en een economisch- en startplan ontwikkeld worden.
3)  De boeren in de dorpjes hebben landbouwverenigingen, met tussen de 30 en 50 leden. De verenigingen zijn erg passief en werken niet aan eigen ontwikkeling. Zij houden zich vooral bezig met bijv. Het aanvragen van een waterput, elektriciteit in het dorp en een tractor.
Actief aan eigen ontwikkeling werken wordt niet gedaan. Iedere vereniging zou testvelden moeten hebben om nieuwe, betere, gewassen uit te testen
Sesam zou een dergelijk gewas kunnen zijn, geschikt voor de warme en droge streken, sesam overleeft in droge periodes beter dan maïs. Omdat prikkeldraad relatief duur is, onderzoekt men welke planten, struiken en bomen geschikt zijn om een natuurlijke afrastering te maken.
Getrainde vrijwilligers, met hulp van de projectleiders mobiliseren de boeren om actiever te worden en zelf deel te nemen aan hun eigen ontwikkeling en om, later zelf initiatieven te ontplooien.Vanaf het prille begin komen de leerlingen achterop met lezen en rekenen. Er is een project opgericht dat hier samen met de schooltjes en de leraren gaat proberen daar verandering in aan te brengen. De vrijwilligers richten studiegroepen op, zodat de zwakke leerlingen die 's ochtends naar school gaan, 's middags bijles kunnen krijgen. De scholen en de leraren worden gemobiliseerd om aan een kwaliteitsprogramma mee te werken om te voorkomen dat de kinderen achterop raken.
De boeren ontbreekt de meer specialistische kennis zoals hoeveel en welk voer heeft een schaap nodig per dag en van welke samenstelling. Hoeveel liter water drinken mijn schapen of koeien per dag. In Nederland vinden boeren het de normaalste zaak om 's zomers diervoedsel te verbouwen en te oogsten en te conserveren om ‘s winters de dieren te kunnen voeren. Hooi opslaan, gras en maïs inkuilen zijn hier voorbeelden van. In het droge noordoosten van Brazilië moet er in de regentijd verbouwd worden om de droge tijd door te komen, ook hier kan ingekuild worden en gehooid worden. Maar over het algemeen zijn de boeren slecht voorbereid op de droge tijd en dit moet veranderd worden.
Zo kan ik vele voorbeelden geven van wat gedaan kan worden met en door de mensen zelf. De bedoeling van deze brief is niet alleen om je informeren over mijn doen en laten en de situatie in Noordoost Brazilië. Ik wil je vragen of je het project zou willen steunen. Ieder project heeft steun nodig. Vele kleine beekjes maken een grote rivier.
Hoe zou je het project kunnen steunen?

1) Vele Nederlanders geven geld voor een goed doel.
Kijk eens of dit project je aanspreekt en of je het wilt steunen. Dat kun je dan doen door een eenmalige of door een periodieke donatie b.v. maandelijks of per kwartaal.
Voor meer informatie en of stortingsmogelijkheden kunt U naar mij e-mailen pvandun@uol.com.br of met mijn vader contact opnemen. tel. 076-5146548
2) Misschien is er via Uw werkkring of organisatie een mogelijkheid deel te nemen aan een ons project. Veel bedrijven hebben een politiek om het goede doel te steunen. Met 2.000, - euro kunnen we b.v. 50 bijenkasten aanschaffen of 4 regenopvang installaties bouwen of 100 ouderen leren lezen en schrijven.
Wij informeren de donateurs met foto’s en berichten zodat zij kunnen zien kan zien of het geld goed wordt besteed .
Als er een donatie mogelijkheid is wil ik je graag helpen om een specifiek project te beschrijven,

Vanaf eind 2007 kunnen we ook bezoek ontvangen. Je kunt ook een paar maanden blijven en deelnemen aan het project. (Dit vooral voor de jongere geïnteresseerden)